11 April






Zondag 11 april
De blogspot heeft een tijdje moeten wachten op een bijdrage maar hier zijn we weer. We zijn twee dagen bij Maree en David gebleven en hebben uiteraard veel bijgepraat over onze ervaringen in Nieuw Zeeland en over hun reis naar Spanje met onze camper. De laatste avond hebben we volgens Nieuw Zeelandse traditie fish en chips gegeten en het was echt lekker. Het zag er helemaal niet uit zoals de fish and chips in Engeland. De volgende dag voert Maree ons naar Wellington waar we een hotel geboekt hebben. Het blijkt een fantastisch hotel te zijn. Voor amper 40 euro hebben we een grote kamer met balkon, met een grote badkamer, een volledige ingerichte en uitgeruste keuken, een wasmachine en droogkast en strijkijzer – zelfs het waspoeder, de koffie en afwasproduct ligt klaar op onze kamer. De zon brandt in Wellington en het is heerlijk om langs de haven te wandelen. We missen wel de terrasjes want Wellington is duidelijk een stad die alleen leeft tijdens de kantooruren. Het is de administratieve hoofdstad van NZ en je vindt er dus alleen ministeries en ambtenaren die in het WE naar huis trekken en dus blijft een lege stad over. Maree heeft ons overtuigd om zelfs bij dit mooie zonnige weer het nationaal museum te bezoeken: Te papa. Wat een mooi en indrukwekkend museum. Het concept doet mij denken aan het Museum voor Technologie in London. Het is een actiegericht en zelfonderzoekend concept. Zo is er een afdeling van “vernietigende natuurfenomenen” waar ze oa de gevolgen van aardbeving verduidelijken. Zo moet je zo hard mogeelijk springen op een paneel en kijken welke schok dit teweegbrengt in vgl met de schaal van richter. Er is ook een huis waar je binnen kunt gaan en die plots begint de schudden en te beven. En zo is gans het museum opgavat – 4 verdieping allemaal verschillende thema's. Enfin in één woord: de moeite waard. 's Avonds koken we in onze goed uitgeruste keuken een heerlijke maaltijd en een paar uur later loopt de wekker af – tijd om naar de luchthaven te gaan.
Terug in Brisbane pikken we onze huurauto op en rijden we naar Maroochydore – het lijkt bijna op thuiskomen. We herkennen alles. Rod en mimie zwaaien en knuffelen ons wanneer we het appartment binnenkomen. Ook nu is het tijd om bij te kletsen. De volgende dag gaan Nico en ik naar de kapper – ons blond vliegt op de grond. Woensdagmorgen ... we vertrekken met de camper richting Kenilworth – het water valt met bakken uit de lucht. Wij rijden door naar Brisbane – rijden eens langs de luchthaven zodat we zeker zijn dat we vrijdagmorgen parkeerplaats kunnen vinden voor onze camper. We zijn beiden duidelijk gespannen en wanneer we niet meteen een parkeerplaats vinden loopt de spanning gedurende een paar minuten op. Gelukkig kunnen we beiden alles heel goed relativeren en een paar minuten later lachen we met onze eigen dommigheden. Nog boodschappen doen want alles is gesloten op Goede Vrijdag, Pasen en Paasmaandag. 's Nachts heb ik nog een sms naar Wibe gestuurd om te vragen of ze goed aangekomen is in Singapore maar we hebben geen sms'je teruggekregen – en wanneer we meer dan uur staan te wachten aan de arrivals en nog steeds geen Wibe of Harm zien beginnen we beiden ongerust te worden. Plots krijg ik een sms van Harm: Wibe haar bagage is verloren. Dat is echt niet leuk. De eerste grote reis met het vliegtuig en meteen je bagage verloren: we voelen echt met haar mee. Maar dan plots verschijnen ze daar. De ontlading bij beide is groot want na 7 maanden is het toch wel fijn dat we niet alleen hun stemmetje horen maar ze ook nog eens kunnen vastpakken. De bagage ligt blijkbaar in London Heathtrow (typisch!) maar binnen de 24h wordt ze aan huis geleverd. Wibe roefelt eventjes in mijn kleren en vindt iets dat een beetje past. We rijden naar de zee voor ons eerste buiten-ontbijt. Wibe is verbaasd wanneer iedereen haar eventjes goeiedag zegt of aanspreekt. Ja dat is Australia!
We rijden eerst naar de glasshouse mountains waar we overnachten want de volgende dag gaan we naar Australia zoo, de beroemde zoo van Steve Irwin, Crocodile Hunter. Wanneer we om 8h30 de zoo binnenwandelen valt ons meteen op hoe verzorgd deze zoo is. We hebben al behoorlijk wat dierentuinen bezocht maar dit is werkelijk tot in de puntje verzorgd. De leefruimtes van de beesten zijn gewoon over de top verzorgd. Het meest indrukwekkend zijn natuurlijk de krokodillen – allemaal gevangen door Steve Irwin. Uiteraard willen de show met de krokodillen zien. Maar gezien het paasvakantie is moeten we eerst vrede nemen met een optreden van Bindi, de 12-jarige dochter van Steve Irwin die beslist heeft om even beroemd te zijn zoals haar vader. In een K3-achtige show probeert ze alle kinderen (lees meisjes in pink) mee te laten dansen en zingen met haar liedjes. Gelukkig naar een half uur begint de show. Twee dierenverzorgers (allemaal gesponsord door Columbia – kledijfabrikant) waden door het water met een 4m lange python. Daarna komen Terri (vrouw van), Bindi (dochter van), Robert (5-jarige zoon van) en Wes (best mate van) de arena binnen – gevolgd door een gigantische krokodil. Je weet dat ze deze show dagelijks opvoeren en toch ziet het er uit – zeker wanneer je Wes door het water ziet stormen met een krokodil achter hem aan – je ziet de spanning op zijn gezicht. Uiteindelijk brengen we 7h in de Zoo door en nog hebben we niet alles kunnen doen. Andere hooogtepunten waren zeker het strelen van kangeroes, knuffelen van een koala, het zien van een wandelende wombat aan een leiband, voetballende wombats.
's Avonds rijden we door naar Maleny waar we de nacht zullen doorbrengen bij Cheryl en Lloyd – twee vrienden van Paul en Irene die daar ook zullen zijn. Iedereen komt naar ons toegelopen wanneer we hun erf oprijden en weeral wordt een geknuffeld. 's avonds zitten we met zijn allen aan het kampvuur en hebben we een barbie (BBQ) en verstomd Harm iedereen wanneer hij drie groene klinkers (gevulde chocolade toffees) na elkaar in zijn mond heeft. Blijkbaar is het de traditie dat iedereen een klinker uit de zak neemt en erin bijt en kijkt welk kleur het heeft – en iedereen hunkert naar de groene maar heeft steeds een roze, blauwe, witte. Maar niet Harm hij neemt er drie en alledrie zijn ze groen. Hij heeft geschiedenis geschreven in Maleny. Er kruipen 's nachts nogal wat slangen rond in Maleny dus slapen wij voor alle zekerheid in de tent en slapen Wibe en Harm in de camper.
De volgende dag rijden we naar Mount Coorooro – king of the mountain. De berg is 440meter hoog maar kent een zeer steile klim. Wibe, Harm en Nico beklimmen deze terwijl ik beneden de wacht hou. Na amper 1h30 minuten kunt Harm naar beneden gelopen, Wibe en Nico komen 15 minuutjes laar aan de eindstreep. Wanneer we hen vertellen dat ze een wedstrijd houden op deze berg en dat de snelste het in 19minuten (op en neer) doet zeggen ze beide “zot” en dat is het ook.
De volgende dag staan we weer om 6h30 op want om 7h moeten we in Tin can bay zijn. Dit is een onogelijk klein vissersdorpje waar 40 jaar geleden een gewonder dolfijn is aangespoeld. De vissers hebben deze dolfijn verzorgd. De dolfijn is wanneer ze genezen was blijven komen en de bewoners bleven de dolfijn met de hand voederen. Ondertussen is deze dolfijn doet maar de kleinkinderen van deze dolfijn komen net zoals hun grootmoeder naar de waterkant en laten zich met de hand voederen. Elke morgen tussen 7h en 10h komt één of twee dolfijnen.
Nadien ontbijten we in het park – op de barbie maken we eitjes klaar – daarna rijden we door naar Bundaburg waar we naar een camping rijden aan zee. Wibe heeft meteen het bodyboarden onder knie en ze pakt de ene golf na de andere. Bij Harm duurt het iets langer maar plots heeft hij het ook onder de knie en surft hij met zijn bodyboard over de golfen als een volleerde aussie.
De volgende dag zou ik het best kunnen omschriven als de pechdag van de vakantie. De campground waar we naar toe willen is nog steeds volboekt dus moeten we zoeken naar iets anders. In hetinformatiecentrum raden ze ons een camping in Agnes Water aan. In het informatiecentrum horen we ook dat een chinese boot is vastgelopen op het rif en olie verliest dus dat snorkelen in Rockhampton niet zal lukken. Als we willen snorkelen moeten we het hier doen – ongeveer 4 keer zo duur als in Rockhampton. We beslissen vlug om toch hier te snorkelen. We zijn opgelucht wanneer we horen dat ze een plaatsje op de camping hebben maar vallen achterover wanneer ze ons vertellen wat de prijs is voor één nacht. Normaal gezien betaal 20$ per nacht – hier vragen ze 49$ plus 10$ per extra persoon. Ik zeg dat we met drie zijn want ik vind het ongehoord dat ze zoveel geld vragen. Bovendien blijkt dat ze geen warm water hebben om de afwas of de was te doen en dat ze geen internet hebben. Dan maar gaan boeken. Er zijn twee firma's die snorkeltrips aanbieden – de eerste waar we binnen stappen heeft geen trips op woensdag – dus dan maar naar de andere die iets duurder is. Oef we kunnen boeken. We betalen voor ons vieren en genieten van de zon en het strand (en het bodyboarden). 'S avonds krijgen we plots een telefoontje dat de snorkeltrip niet doorgaat want dat de tweede boot kapot is. Het eerste moment ben je zo in je mond geblazen dat je niet weet wat te zeggen, maar na het zien van de ontgoocheling op Wibe en Harm hun gezichten besluit ik om het daar niet bij te laten dus bel ik terug. Een uur later opluchting want de andere maatschappij neemt ons mee op hun boot : hoera-geroep bevestigt de opluchting.
De volgende dag staan we dus weer om 6h30 op want om 7h30 moeten we de boot op. We mogen mee met de Narcosis en kapitein Don – een klein duikersschip die zee basic is uitgerust maar dat vinden we nu eventjes niet erg. We varen om 8h uit en botsen op de hoge golven – de zee is echt wild. Na een half uurtje zien we het moederschip (een grote catamaran) dobberen op zee. Onze kapitein probeert te weten te komen wat er gebeurt – na veel vijfen en zessen blijkt dat de motor van de catamaran het begeven heeft en dat ook wij moeten terugkeren want gezien deze boot gezchartered is hebben ze niets bij zich (geen eten, geen snorkels). Dus weerom ontgoocheling ... na bijna 2h varen op woelige zee varen we de haven terug binnen en seint de kapitein van de catamaran dat we terug mogen vertrekken want dat de boot vermaakt is. Denarcosis maakt rechtsomkeer en terug varen we over de meer dan 2 meter hoge golven. Beneden is iedereen ziek – maar wij zitten vanboven en overleven de 2H30min tocht zonder zeeziek of kotsen! Aangekomen springen we onmiddellijk het sop in. De eerste keer snorkelen is niet zo evident: het is beklemmend om door de snorkel te ademen en je moet echt wel de techniek vinden om zo weinig mogelijk te bewegen – enkel de flippers zachtjes heen en weer te bewegen maar na een tijdje hebben zowel Wibe als Harm the knack of it en genieten ze van de kleurrijke vissen en zelfs de seaturtles die onder ons door zwemmen. Het was al bij al echt een memorabele dag en het snorkelen boven de reef is buitengewoon!
De volgende dag rijden we naar Wongi State park – niet echt een in drukwekkend park – daarna rijden we naar Kilkivan Bush camp waar we een wandeling van 16km naar het stadje doen waar een grootse paardenspektakel is opgezet. Wibe houdt er alvast enkele blaren aan over maar we hebben op onze wandeling wel een kangeroe gezien. 's Avonds bakken we een biefstuk op ons kampvuur en blijven we nog enkele uurtjes keuvelen aan het kampvuur.
Daarna rijden we naar Bunya Mountains NP waar we verwelkomt worden door kangeroos en Bruce en Jenny (en jawel weer wordt er geknuffeld). Harm en Nico doen een fietstochtje en komen halfdood terug want het stijgingspercentage was toch iets hoger dan gedacht, terwijl Wibe haar cursus handelsrecht erdoor jaagt en ik de foto's op de laptop zet.

Maandag 22 maart






Na Tongoriro rijden we naar de Bay of plenty – zo door Cook genaamd omdat hij vond dat is alles hier in overvloed aanwezig was (veel maori dorpjes, veel vis, veel groen, ...) Nog steeds in Bay of plenty synoniem voor overvloed aan stadjes, kiwi en avocado plantages, dolfijnen en vis. En dit laatste hebben we mogen proeven. Een andere camper heeft van een lokale viser vis gekregen en hij rookt deze ter plaatse. Hij komt spontaan met twee versgerookte vissen naar ons toe – de vis smaakt naar makreel. Het blijkt een vis te zijn die zo vettig is dat ze alleen eetbaar is wanneer je ze rookt zodat al het vet er letterlijk uitgerookt wordt. Natuurlijk is de vis meteen ook een reden om wat met elkaar te praten.
We rijden naar een vrije kampeerplaats in Karangahake Vallei. Er start hier een wandeling van 6h. We wandelen langs de rivier tot we plots voor een donkere tunnel staan- gelukkig hebben we onze zaklamp mee – en daar gaan we de complete donker in. Na 200 meter zien we de uitgang en worden we verblind door het zonlicht. De wandeling volgt de gorge. We zien echter niet zoveel van de gorge omdat de omgeving indrukwekkend groen is. Het lijkt alsof we een wandeling in de tropen maken. Gigantische varens tonen ons de weg. Plots komen we meer en meer volk tegen. We zijn aan de ruïnes van een oude mijn gekomen. En we kunnen zelfs enkele mijnschachten in wandelen. Pikdonker – gelukkig hebben we onze zaklampen mee. We volgen de spoorweg in de mijnschacht – tot ik plots mijn lichtje uitdoe en de volledige mijnschacht verlicht is met duizenden lichtlichtjes – glimwormpjes met honderden boven ons hoofd. We wandelen langs de rim terug naar de campground en zijn blij dat er naast de campground een ijskoud waterhole is waar ik tot mijn knieën in waad terwijl Nico uiteraard zwemt en kopje onder gaat. Brr ik begin al te klappertanden aan de idee alleen al. Nico lacht met mijn interpretatie van zwemmen: tot mijn knieën in het water.
De volgende dag rijden we naar de Coromandel schiereiland– een schiereiland die gekend is voor zijn schoonheid maar ook gekend is voor zij apathie voor camper en freedom kamperen. We zijn dus voorbereid! We rijden eerst naar Kauaeranga Valley waar we na 9 km dirt road (wat haat ik deze wegen met putten en stof!!! - zonet de achterruit gewassen en je kunt er weeral niets meer door zien) aan een campground komen. Hier start een 8h durende wandeling naar de Pinnacles. En ja we hebben het gedaan in 3h40min. De wandeling begint quite easy maar dan komt er een klim met honderden trappen – sommige van meer dan een halve meter hoog. Alhoewel het bewolkt is gutst het zweet van mijn hoofd ik voel de druppels vallen. De eerste halte is de hut waar de meesten overnachten, maar waar wij alleen ons bookes opeten. Daarna volgens nog eens honderden trappen – het zicht is uiteraard fenomenaal.
De volgende dag rijden we naar het stadje Coromandel – de weg is bochtig maar de zichten zijn bijzonder mooi. Het weer is fantastisch: 26 graden, blauwe hemel, zon. De volgende dag staan we in een fantatische camping aan de zee.
Daarna rijden we naar Hamilton want we hebben ticketten voor de rugby clash tussen de Chiefs en de Crusaders. De wedstrijd start om 19h30 en de sfeer is helemaal anders dan bij ons een voetbalwedstrijd. In plaats van zingen en dansen horen we tijdens de spannende momenten een soort oerkreet. Het is ook verrassend dat heel wat maori's in het stadium zitten -terug een groot verschil met Australia – daar zie je aboriginals naar een wedstrijd gaan.
Oh ja de we supporteren uiteraard voor de chiefs niet alleen omdat Hamilton hun thuisbasis is maar vooral omdat ze in de Belgische driekleur spelen – het stadium is versierd belgische vlaggen zowaar. Maar supporteren heeft niet veel uitgehaald want ze verliezen van de crusaders. Maar het was absoluut leuk om live een rugby wedstrijd mee te maken.
De volgende dag ga ik naar Royal Ballet of New Zaeland die hun nieuwe productie hier brengen. Terug ben ik verrast door de andere gewoontes. Tijdens de pauze gaat iedereen naar foyer maar iedereen komt daarna met zijn glas wijn, koffie, zak chips, ijsje in de zaal en eet, drinkt rustig terwijl het ballet herbegint.
Het ballet zelf was goed maar niet de top. Logisch want de helft van de compagnie bestaat uit jongeren die hun eerste jaarcontract bij Royal Ballet Of New Zealand krijgen – er danst zelfs een Belg voor zijn eerste jaar bij. Zegt genoeg niet?
Na twee dagen in een stad hebben we behoefte aan wat natuur en gezien aan de zee de zon uitbundig zal schijnen, terwijl de rest van het eiland zal gedekt zijn door een wolkendeken, rijden we uiteraard naar de zee!
Na een paar dagen zee, zon , strand en boekjes lezen willen we weer wat de toerist uithangen en rijden we vulkaanland – naar Rotorua. Onze eerste halte is het stadje Kawerau waar we de nacht doorbrengen. Dit stadje is doordrenkt van een rotte eieren geur door de sulphur die uit de grond spuit. Gelukkig hebben we een plaatse gevonden aan de rivier waar het lekker fris ruikt.
Wanneer we Rotorua binnenrijden overvalt ons meteen de rotte eierengeur. We parkeren bij het stadspark waar de rook uit de grond naar boven stijgt. Modderpoelen die koken en een blubberend geluid maken, stoom die uit de grond sist en uiteraard warm water baden waar je gratis pootje kunt baden – al moet je uiteraard de geur erbij nemen. Na een uur wandelen in het park overvalt je een hoofdpijn en kun je niet anders dan eventjes uit de geur weggaan, dus dwalen we rond in de winkelstraat waar bij wonder de geur veel minder sterk is. Er is een vrije camperplaats bij de club van handelsreizigers zo'n 4 km buiten het stadje, we zullen daar de nacht doorbrengen. We wandelen terug naar de stad (oh wat missen we nu de fietsen) want we hebben een Belgisch café gezien en daar wil Nico een blonde leffe drinken. Na uitgebreide studie van de kaart blijkt dat ze geen geuze hebben. De cafébaas ziet mij kijken naar de flesjes en vraagt of ik iets zoek: Je geuze. Het is een vlaming en plots haalt hij een flesje geuze Timmermans uit zijn frigo: Yes! Wat smaakt dit lekker, ook Nico beseft na 7 maanden dat Leffe blond toch wel een heel stuk lekkerder is dan de pils die ze hier drinken. Voordat we iets eten wandelen we langs Sulphur Bay. De naam doet het al vermoeden: sulphur stoom stijgt uit het meer naar boven. Opnieuw overvalt ons een helse hoofdpijn, vlug terug het stadje in. De cafés zijn ondertussen groen gekleurd, niet omdat de Cercle speelt maar omdat het St_patricksday is en dit wordt hier nog steeds uitbundig gevierd. Na een meze en mixed grill moeten we uiteraard de 4km terugwandelen. Het is ondertussen koud geworden, Nico kluttert terwijl hij erbij loopt. De eerste keer in 7 maand dat hij koud heeft, zelfs zo erg dat hij terug in de camper onder het donsdeken kruipt en een warme choco drinkt ;-)
Daarna nemen we terug wat vakantie in onze vakantie. De zon schijnt, het is 25 graden in Hawkes Bay dus rijden we daar naar toe en lezen we een paar boekjes uit. Boeken kopen we hier in grote getale in bibliotheken. Je wandelt gewoon de eerste beste bibliotheek binnen en daar staat een rek met geannuleerde boeken die je kunt kopen voor een halve euro.
En nu zijn we op terugweg naar Martinborough om de camper terug te geven aan Maree en David. Dit wil zeggen dat we vandaag en morgen de camper terug spic en span proberen te krijgen, alles wassen, strijken, kasten uitkuisen. En ja vandaag regent het: voor de 3e keer in 2 maanden tijd ...

Zondag 7 maart





Ondertussen zijn we terug op het Noordereiland en hebben we Napier – de art deco hoofdstad van de wereld, een unieke broedplaats van gannets (of te wel Jan van Gents), Taupo en zijn mooie meer, Mount Doom en Bay of Plenty gezien.
Napier is de art deco hoofdstad omdat in 1930 een mega aardbeving alle oorspronkelijke gebouwen van de kaart geveegd en omdat toen net Art deco hip was en de bewoners vooral een nieuwe start wilden hebben ze de volledige stad herbouwd in art deco. En men heeft moeite gedaan om dit alles te bewaren.
Voordien hadden we een een 20 km lange wandeling langs het strand gemaakt om een unieke broedplaats van gannets te zien – dankzij internet weten we nu dat gannets bij ons beter gekend zijn onder de naam “Jan van Gents”. Deze vogels broeden normaal gezien op afgelegen eiland maar op 10 km van de kust van Hastings broeden ze op een plateau met duizenden. De jongen vliegen als ze 4 maanden zijn naar Australia – een vlucht van zo maar 2700 km en dit terwijl ze nog nooit gevlogen hebben. Ze blijven een paar jaar in Australia en dan vliegen ze nog een keer terug – naar de plaats waar ze zelf geboren zijn – en beginnen ze aan hun eigen nageslacht. Slechts 33% overleeft deze tocht.
Na Napier en de gannets zijn we doorgereden naar Taupo – het grootste meer van NZ en de plaats waar zonet de NZ Iron man heeft plaatsgevonden. In Taupo hebben we gelunched bij Ted en Carolyn. We zouden oorspronkelijk met hen onze camper swappen, maar Ted heeft een jaar geleden een stom mountainbike ongeval gehad waardoor hij nu bijna volledig verlamd is. Alhoewel Ted bijna 70 jaar is, is hij bijzonder moedig en opgewekt. Ik weet voor mijzelf dat als ik het ooit een lastig heb, ik mijzelf zal dwingen om aan hen te denken.
In Taupo hebben we als voorbereiding op Mount Tongoriro Mount Tauhara beklommen.Oef toch één berg die ik heb kunnen beklimmen.
Daarna zijn we doorgereden naar Tongoriro NP. Dit park is vooral gekend voor Mount Doom in Lord of the Rings. Eigenlijk zijn er drie vulkanen naast elkaar. De jongste is Ngauruhoe of Mount Doom, links Tongoriro (slapende vulkaan) en rechts Mt Ruapehu (zeer actief – laatste uitbarsting in 2007). Mount Tongoriro kunt beklimmen en kun je via de krater letterlijk oversteken . Hij is een kleine 2000 meter hoog. Het is één van de mooiste wandelingen maar ook één van de gevaarlijkste – vooral het weer die plots kan omslaan verrast nogal wat buitenlandse toeristen met hypothermia (onderkoeling) als gevolg. Maar met de blauwe hemel en de zon die fel schijnt, is dat alvast geen probleem. De wandeling zelf is fysiek niet zo zwaar, maar er is één stuk die heel steil is en vol met losse stenen dus besluit ik wijselijk om beneden te blijven en Nico alleen de wandeling te laten doen. We spreken om 18h af aan de andere kant. Dat betekent wel dat ik met de motorhome alleen terug moet rijden en hem aan de andere kant van de berg terug moet oppikken. De laatste 7 km zijn gravel weg vol putten en constant bussen die je passeren op een weg die net breed genoeg is voor twee wagens. Amaai ik heb in die 7 km ook een peer afgezien. Maar heelhuids geraak ik aan de andere kant van de berg – blijkt dat de parking volstaat met bussen. Lap hoe wacht ik hier 8 uur op Nico? Gelukkig red een buschauffeur mij: hij parkeert de mobiel achter een bus oef ... Na amper 4h47 minuten hoor ik gefluit. Het is nog geen 13h en daar staat hij al. Ik geloof mijn ogen niet. Volgens mij heeft hij naar beneden gelopen – kan bijna niet anders.
Ondertussen blijven we genieten van de zon en een zalige 25 graden.

Zaterdag 27 februari







Een ander voordeel van onze internetverbinding is dat we het weer kunnen opvolgen en dus kijken we steeds wanneer er goed weer op komst is om tracks en nationale parken te bezoeken. Na Mount Cook wisten we dat er terug een koudefront met regen over het Zuider-eiland zou passeren maar dat na 2 dagen van wisselvallig weer het zeker 5 dagen zon en warm zou zijn. Op het Zuider-eiland willen we nog het wereldbefaamde Abel Tasman National Park doen. Dus route uitgestippeld om daar te zijn net op het moment dat de zon schijnt.
En het is gelukt. Abel Tasman is gekend voor zijn gouden strandjes, idyllische baaitjes, regenwouden, eilandjes met honderden seals. Je kunt het park bezoeken als dagjestoerist door een wandeling te doen en dan een watertaxi terug te nemen. Je kunt ook de volledige track van 70 km afwandelen in 3 a 4 dagen. Je neemt je bagage mee en slaapt onderweg in eenvoudige campings. Dit is veruit de populairste manier om het park te verkennen en eigelijk ook het goedkoopste. Je betaalt per persoon 12$ per nacht om te overnachten in je tentje en op het einde van de wandeling neem je de watertaxi terug. Wij kiezen terug voor de veel duurdere manier om het park te verkennen: twee dagen zeekayakken en één dag wandelen. De eerste dag gaan we met een gids op pad, het is tenslotte op volle zee peddelen en zoveel ervaring hebben we niet. Het blijkt een goede keuze te zijn. De gids geeft ons onwaarschijnlijk veel en goed uitleg. We leren zelfs hoe we in volle zee een reddingsactie moeten opzetten. De Tasmaanse baai is af en toe behoorlijk wild en is dus gevaarlijk. Maar wij hebben twee dagen vlakke zee en dus genieten we er met volle teugen van. We varen baaitje in en uit, varen naar de eilandjes waar we moederseals en hun kleintjes zien. De kleintjes spelen in waterpoeltjes, de moeder daagt hen uit om in de zee te zwemmen, we zien hoe de seals zichzelf een ochtenbad geven. Kortom het kayakken loont meer dan de moeite. De eerste twee dagen zit alle bagage opgeborgen in onze kayak (al moest de gids twee keer kijken hoe weinig we mee hadden – ja kampioen in het klein pakken hé – hij heeft wel twee keer gevraagd: tent mee? Slaapzakken? Slaapmatjes? Kledij? Eten voor 3 dagen? Water? Hij overtuigt ons om nog een fles wijn mee te nemen). Tijdens de derde dag moeten we een getijderivier over en we kunnen hier enkel over wanneer het laagtij is. Gezien het om 9h laagtij is, moeten we de tweede dag na 15km kayakken ook 6 km stappen zodat we op tijd de rivier over kunnen. De campings van het nationaal park staan stampvol met tentjes, honderden mensen leggen deze track af, iedereen met zware rugzakken (behalve wij dus ;-) Het was bijzonder leuk om de track niet alleen al met de kayak of alleen al wandelend te doen, de combinatie was absoluut de moeite waard.
Oh ja het nieuwe fototoestel die ik van Rod gekregen heb, heeft het tijdens de 3daagse uitstap begeven. Het stelt niet meer scherp en dus hebben we bijna geen foto's.
Terug in Nelson stappen we een winkel binnen ons aangeraden door enkele kiwi's. Er staat een toestelletje waar we mee onderwater kunnen fotograferen in promotie. Lijkt ons de moeite om in Great Barrier reef wat onderwaterfoto's te nemen. Enfin hopelijk gaat dit toestelletje wat langer mee.
Ondertussen hebben we ferry terug naar het Noorder-eiland genomen. De zon is voorlopig nog niet met ons mee verhuisd ...
We kamperen meer en meer vrij of zoals ze in NZ zeggen “freedom camping”. In principe mogen alleen voertuigen die een eigen WC en afvaltank (zoals wij) hebben vrij kamperen. Men heeft nu een certificaat ingevoerd waardoor in theorie alleen voertuigen met dit certificaat mogen vrij kamperen (wij hebben dit certificaat ook niet) omdat men vooral de kleine campervans (camionette) beu zijn. En er rijden er hier heel wat rond. In de krant was onlangs het hoofdartikel “Call for national ban on campervans” waarbij men oproept om nationaal een verbod op de kleine campervans uit te vaardigen. Als reden geeft men: ecologisch onverantwoord want deze camionetten zorgen voor vervuiling en parkeren zich overal – ook al mogen ze niet vrij kamperen. Ik vraag mij af of ecologie werkelijk het probleem is en vraag mij af waarom men zich zo ergert aan deze kleine campervans. Is het omdat vooral jongeren met deze camionetten rijden? Is het omdat ze er vaak heel slordig en uitgeleefd uitzien? Zijn het de schuifdeuren die constant een hatelijk lawaai maken als je ze open en dicht slaat? Is het omdat jongeren minder geld uitgeven? Meestal wonen er geen mensen in de buurt, ook grote campers laten soms vuilnis achter ... dus wat zorgt ervoor dat locals zich zo mateloos ergeren aan deze kleine campervans en de grote kampeerwagens met open armen ontvangen? Nergens hebben we zoveel kleine campervans zien rondrijden dan hier in NZ – het is een klein land dus heel geconcentreerd. Reizen met een camper is booming business geworden. Waar vroeger alleen de gegoede middenklasse een motorhome kon huren of kopen is dit nu met de goedkope kleine camionetten ook voor heel wat jongeren de manier geworden om rond te reizen waardoor de kleine goedkope campervans op een korte tijd een immense groei heeft gekend dat ze hun “freedom camping” niet meer onder controle hebben.
En toch is NZ het meest campervriendelijke land ter wereld. Elke stad heeft zijn publieke dump station (wat kan Australia en Europa hier veel van leren). Elke informatiedienst kan je onmiddellijk zeggen waar je vrij kan kamperen en department of conservation heeft honderden campings in nationale parken waar je voor een peulschil kan kamperen.

Vandaag hebben een wandeling van 20 km langs het strand gemaakt op zoek naar een gannet kolonie. Gannet is een grote vogel die hier nest, en blijkbaar is dit nogal uitzonderlijk. Wanneer de jongen 4 maanden zijn vliegen ze uit en meteen vliegen 2700km naar Australia. Ze komen één keer terug naar exact dezelde plaats in NZ om te broeden. Het was indrukwekkend om alle vogels bij elkaar te zien, om de willige jongen te zien en de geur ... ja dat

Woensdag 17 februari





In Dunedin hebben we een mooi museum bezocht en hebben we heel wat geleerd over de Maori cultuur die toch helemaal anders is dan de Aboriginals cultuur. De sculpturen zijn bijzonder verfijnd., en sommige laten niet veel aan de verbeelding over. 's Middags bezoeken we nog een galerij met moderne kunst en zoals vaak met moderne kunst kun je soms alleen hoofdschuddend er naar toe kijken en soms met een smile alles aanschouwen. Een Koreaanse artiest heeft in Auckland archief allemaal oude trouwfoto's gezocht, ingekaderd en dan in een grote container in het zeewater gedropt in Auckland harbour om deze na enkele dagen terug uit het water te halen. En deze door zeewater aangetaste trouwfoto's hangen nu in deze galerij.
In onze planning zouden we gewoon de kust richting Christchurch volgen maar we hebben nog wat tijd en beslissen om nog maar eens naar het binnenland te rijden, richting mount Cook. Op het internet hebben we gezien dat je kunt zeekayakken tussen de ijsbergen, dit lijkt ons wel iets.
Onze eerste halte in Trotters Gorge, waar we een wandeling langs de Gorge doen. Het ziet er een mooi aangelegd pad uit door het regenwoud, mooie houten trapjes. Maar plots wordt het pad veel nauwer en klimt steil langs de gorge naar boven. Het gaat zo steil dat we op handen en voeten naar boven klimmen en Nico af en toe mij naar boven moet trekken. En dan komt natuurlijk de afdaling, en Jootje ziet het even niet meer zitten. Nico helpt mij al pratend van de berg af en gelukkig ben ik als we eindelijk terug het groene gras van de campground zien.
We rijden via een azuurblauw meer richting mount Cook. Het is bewolkt dus vervagen de contouren van deze mooie berg in de wolken. Maar zelfs nu is de berg nog steeds indrukwekkend. We rijden via slingerend baantje door een ongelooflijke open vlakte waar de wind blaast Mount Cook tegemoet. (waarom slingert een weg zit door een vlakte vraag ik mij?) En plots in die open vlakte kom je in het stadje Mount Cook. Aan de campground vertrekt een wandeling naar Hooker glacier. We wandelen via twee swingbridges naar Hooker lake. Het lijkt een maanlandschap, met voor ons een grijs meer met daarin grote ijsbergen die zomaar voor ons uit liggen te drijven. De wind blaast ons bijna weg. Voor ons ligt de glacier de helemaal grijs is, door de vele landslides. Terwijl we terugwandelen beslissen we om niet te zeekayakken, we hebben de ijsbergen van zo dichtbij gezien dat ertussen varen met een kayak niet echt een meerwaarde lijkt te zijn.
De volgende dag rijden we via een unsealed road naar Tasman Valley waar je zicht krijgt op Tasman glacier. Ook hier is de gletsjer zwart en is er in de laatste tientallen jaren zoveel ijs gesmolten dat er voor de glacier zich een meertje gevormd heeft waarin ook nu de ijsbergen drijven. Voor zo'n 60 euro kun je er met een klein motorisch bootje tussen varen. De 8km naar Tasman Valley is horrible, de unsealed road is zo corrugated dat ik vrees dat het glas boven de afwasbak en kookgedeelte zal breken. Maar gelukkig bereiken we de weg heelhuids.
We besluiten om nog één wandeling te doen. De wandeling baant zich een weg steil naar boven. Ik heb een St_mary peak gevoel. Het klimmen is fysiek zwaar maar best te doen. Op handen en voeten klim ik met Nico gestaag naar boven, steeds hoger en hoger en hoger .... Op een bepaald moment begint er een stemmetje in mijn hoofdje te spreken: je moet dit ook naar beneden doen hé. Ik probeer mijzelf dan moed in te spreken: nog een beetje hoger, en nog een beetje hoger. En dan kijk ik naar beneden en zie de diepte, de immense diepte onder mij. Nico geniet van het klimmen maar voor mij is het steeds het overwinnen van een angst. Na 45 minuten klimmen begint mijn hoofd te duizelen en dan is het genoeg geweest. Plots wint het stemmetje die zegt: dit is zot, waar ben je mee bezig. Het grootste probleem is dat ik terug naar beneden moet en dalen nu net mijn angst is. Nico wil naar de top om te zien wat er achter het hoekje is. Dilemma: ik durf niet meer hoger (want ik moet dan nog meer naar beneden) maar ik durf ook niet meer naar beneden. Terwijl iedereen (en het zijn er heel wat) verder naar de top klimt alsof het niets, is dit meisje totaal haar kluts kwijt en door angst verlamd. Ja ik zal mij weer al maar eens laten redden door mijn engel zeker? Al pratend en met af en toe een stevige hand, klimmen we terug naar beneden tot ik mijzelf weer onder controle heb en verder alleen naar beneden durf en Nico dus terug de klim naar boven doet. Iemand vroeg hem langs de weg: hoeveel keren doe jij dit wel op één dag? Nog geen 2 uur nadat ik beneden ben is hij al terug. Tja de bergjes zijn niet aan mij besteed en des te meer aan mijn ventje. De volgende keer laat ik hem alleen gaan en hou ik beneden de wacht. Ik heb het nu verschillende keren geprobeerd en steeds hetzelfde scenario: ik begin met goede moed maar plots vraag ik mijzelf af: waarom doe ik mijzelf dit aan? Het is vakantie? Wat wil ik bewijzen? En ik heb vlug het rekensommetje gemaakt en beslis vlug dat het voor mij genoeg avontuur is geweest en dat ik mijn leven niet beu ben.
's Avonds parkeren we ons aan de overkant van het meer. De zon schijnt en we hebben een fenomenaal zicht op Mount Cook. Heel wat andere campers komen 's avonds toe. We zien een onwaarschijnlijk mooie zonsondergang met de top van Mount Cook die volledig oranje-rood kleurt. We kunnen het niet op foto vastleggen maar de herinnering is in onze geheugen gegrift.
Gisteren stonden we aan de zee, op 80km van Christchurch. In totaal zijn al 3 auto's hier gepasseerd en een paar duizend schapen.
Vandaag hebben we eerst een garage gezocht om de camper een service te geven, na 4 garages beginnen we de hoop op te geven, maar ongelooflijk we vinden één die het in 20 min doet en ons slechts 75 euro aanrekent (9 liter olie, nieuwe filter en alles controleren) en wanneer we een halfuurtje later terug op de baan zijn blijkt dat ze ook nog eens de ramen gewassen hebben, stempel in de boek geplaatst hebben. Als dat geen service is.
Ondertussen hebben we een oplossing voor de make communicatie gevonden. We hebben een internetabonnement voor één maand genomen bij een provider die vooral in campings, motels en cafés internetverbinding biedt. Dus om de 4 dagen zoeken we een camping op en kunnen we onbeperkt op het internet en dus skypen met het thuisfront.



Donderdag 11 februari




Vandaag zijn we in het meest zuidelijke punt van Nieuw Zeeland, nog nooit zijn we dichter bij Antartica geweest als nu ;-) Het is ook de eerste dag dat het bewolkt en grijs is (maar nog steeds geen regen!)
De voorbije dagen hebben we nog andere dingen voor de eerste meegemaakt: de zelfzame Fiordland crested pinguin en de nog zeldzamere yellow eyed pinguin gezien, met de kayak tussen 2 meter lange dolfijnen gevaren, met de kayak onder een glacier waterval gevaren, een aardbeving meegemaakt (heeft slechts 30 seconden geduurd en eerlijk gezegd had de verkoopster mij 's morgens niet gevraagd “Did you feel the earthquake?” hadden we het waarschijnlijk nooit geweten en bleef ik denken dat er iemand 's nachts aan onze mobiel geschud had).
Maar beginnen bij het begin: Queenstown. Queenstown was voor mij toch een beetje een ontgoocheling. Ik denk dat het een stadje is die vooral heel in trek is bij jongeren omdat ze allerlei avontuurlijke adrenaline opwekkende (veel te dure) activiteiten. Het eerste commerciële bungi springen van een gigantische brug werd hier in Queenstown uitgevonden en sindsdien doen ze hun naam alle eer aan. Queenstown ligt aan een prachtig meer, met een kleine jachthaven en strandje. Het strandje (gezien het 30 graden was) lag vol met jongeren, terwijl een DJ dance muziek aan het spelen was. Maar ons heeft het stadje niet echt gecharmeerd. We hebben trouwens een nickname voor Nieuw Zeeland gevonden “Challenge yourself”Alles in NZ lijkt op “jezelf uitdagen”. Men zegt dat Nieuwzeelanders een beetje een calimero-complex hebben omdat ze zo'n klein landje zijn, hierdoor hebben ze steeds de behoefte om zichzelf te bewijzen en iets te doen waardoor de anderen (en dan vooral hun moederland UK en hun grote buur Australia) aandacht geven aan hun kleine landje met amper 4 miljoen inwoners .
Vanuit Queenstown zijn onmiddellijk doorgereden naar Te Anau, de vertrekbasis voor het wereldbefaamde Milford Sounds. We willen nog eens bellen naar het thuisfront en dus rijden we naar een camping met telefoon ipv te kamperen in het nationaal park. Communicatie is een beetje een merde in NZ. Telecom (vergelijkbaar met onze Belgacom) gebruikt CDMA ipv GSM netwerk. Met een buitenlandse gsm kun je dus niet op hun netwerk. Terwijl Telstra in Australia al lang overgeschakeld is 3e generatie gsm, is telecom nu nog maar aan het nadenken om dit ooit eens te doen. De andere provider is Vodaphone maar dit zijn echt schurken. Dan maar met gewone telefoonkaart maar ook dit is een ramp. De eerste kaart geeft ons 17 minuten beltijd, maar als we bellen horen wij de anderen, maar zij ons niet. Dan maar een Telecomkaart kopen, voor het zelfde bedrag kunnen we enkel 4 minuten lokaal bellen. We vervloeken nog maar eens Telecom. Enfin we zijn dus nog steeds op zoek naar een manier om contact te hebben met het thuisfront. We toeren nog enkele dagen rond in de outback van NZ (allez toch bij manier van spreken). Ik veronderstel dat de Oostkust iets makkelijker zal zijn.
De communicatie is het enige (naast de blackflies uiteraard) dat we in NZ vervloeken. Voor de rest zien we alleen prachtige natuur. Zoals nu Milford Sound, het is te begrijpen dat een half miljoen mensen dit natuurwonder jaarlijks bezoeken, de meeste met een bus en daarna een cruise. Wij kiezen om het met een zeekayak te doen. Het kost veel geld (3 keer zoveel als de standaard cruise) maar het is bijzonder indrukwekkend om met je kleine kayak te roeien tussen een berg van meer dan 1000 meter die uit de zee rijst met bijna loodrechte muren, bovendien vaar je met slechts 3 kayaks en een persoonlijke gids door de fjord en krijg je de kans om te varen tot op enkele meters van zeehondjes, zwemmen de dolfijnen onder je boot door, spelen ze op een paar meter voor je ogen alsof er niets is die hen kan deren en krijg je de kans om andere beestjes te zien die je nooit zou zien met een cruise. Terwijl we aan het roeien waren door de woelige zee ('s middags steekt steeds de wind en dus ook de golven) roept de gids ons en daar langs de kant staat een zeldzame fiordland penguin. Ze zijn amper 30 cm groot, maar doordat wij dicht bij de kant varen kunnen we deze kleine penguin met onze eigen ogen aanschouwen en doordat wij met onze kayaks geen lawaai maken blijft het beestje zitten. Ook de seals zwemmen en springen langs onze kayaks alsof we er niet zijn. De cruiseboten houden we niet echt van de kayaks dus telkens als er een groot cruiseschip afkomt moeten we dicht bij elkaar blijven zodat ze ons niet de dieperik in varen. En diep is de fjord hier: meer dan 350 meter. Je wilt er je autosleutels niet in verliezen.
Met een klein motorbootje (met de kayaks op vastgevonden) varen we naar Stirling Falls, een gletsjer waterval die 150 meter naar beneden dondert. De kayaks worden losgemaakt en in de zee gedropt en wij klimmen vanuit het motorbootje in de kayaks. We varen eerst naar de waterval en varen onder de waterval door. De wind en de koude is gigantisch en wordt forser naarmate we de waterval naderen. Het ijskoude water klets over je heen, de forse wind doet je bijna kieperen. Je moet dan volledig plat liggen op je kayak en proberen zo weinig mogelijk wind te vangen en ondertussen krachtig te peddelen. We vinden dit echt wel de max: je voelt gewoon de kracht van de natuur. Wel 4 keer varen we onder de waterval door. Ondertussen komt de mist vanuit de zee de fjord binnenkruipen. Achter ons zien we een deken van mist over de bergjes vallen. Wij varen de 15 km over een woelige zee terug naar het vissershaventje. Blijkbaar vormen Nico en ik een goed team want van de 3 kayaks varen we het meest synchroon. Vier uur later zijn we terug aan wal en hebben we de kracht van de natuur niet alleen gezien maar ook gevoeld.

Gisteren stonden we op een campground waar volgens de brochure een zeer zeldzame pinguinkolonie huist. Wij geloven er geen woord van. Maar we zijn nog maar op het strand of Nico ziet een pinguin van 50 cm in de bisjes. We kijken vol verwondering. Amper 10 minuten later komt er nog eentje waggelen uit het water. We blijven twee kijken naar de verschillende pinguins die waggelen op zoek naar hun nest en waar plots de twee maanden oude jongen uit hun nest komen luid roepend hun moeder tegemoet en hoe ze de vis uit het keelgat van hun moeder prutsen. Awesome zouden de aussies zeggen.

En nu staan we op het meest zuidelijke puntje van Nieuw Zeeland, het is grijs. Na 14 dagen blauwe hemel en zon, doet het wat raar maar ik veronderstel dat dit het typisch weer is van NZ.
In Milford valt jaarlijks 8 meter regen (in Belgie amper 0,5 meter jaarlijks), we hebben de ganse westkust gedaan zonder één drupje regen. Volgens Nieuw Zeelanders is dat een half wonder, dus gaan we niet klagen dat het weer nu wat minder is hé.

Vrijdag 5 februari






We zijn al een week aan het rondtoeren in NZ en qua views kan het al tellen. Al moet ik zeggen dat ik zeker al twintig keer tegen Nico gezegd heb dat we waarschijnlijk in Canada zijn, en telkens moet hij lachen en zegt hij “neen jootje we zijn in Nieuw Zeeland”. Het blijft mij fascineren hoe een land dat zo dicht bij Australia ligt zo weinig van zijn dichtste buur heeft. Plots ontdekken we de beestjes die we maar al te goed kennen: hé een merel, een mus. Het beestje die hier iedereen tot zijn grote ergernis het best kent zijn de “blackflies” of de dracula's van de westcoast. In de volksmond noemt men ze sandflies maar eigenlijk zijn het dus blackflies. Ze zijn minivliegjes (een beetje te vergelijken met dondervliegjes) en ze vliegen met duizenden rond je (vooral bij zonsopgang en ondergang) en ze komen dus vooral langs de westkust van het zuidereiland voor. Hun bijnaam”dracula” hebben ze omdat ze bijten. Overal zie je mensen spuiten met insect repellent al geloof ik niet dat het veel helpt. De grootste merde is dat ze zelfs door vliegenhorren kruipen omdat ze zo klein en venijnig zijn.
De westkunst is nog voor iets anders gekend: de regen. Jaarlijks valt er hier 5 tot 7 METER regen! Dat is tussen 5000 mm 7500 mm en om eventjes alles in perspectief te plaatsen aan de oostkant van het zuidereiland valt jaarlijks amper 390mm regen. Maar hebben wij nu toch geen ongelooflijke chance want reeds 7 dagen hebben wij staalblauwe hemel en temperaturen tussen de 25 en 30 graden. De kiwi's spreken hier al van een droogte (ik durf dat niet zeggen in Australia, ze lachen zich een breuk). Die staalblauwe hemel is prachtig, vooral wanneer we de glaciers bezochten. De bergen zijn gewoon fenomenaal mooi en de besneeuwde toppen blinken in de zon. Nieuw Zeeland is hét land bij uitstek wanneer je indrukwekkend natuur wilt zien en ze komen pas echt tot hun recht wanneer de zon volop schijnt. De vergezichten kun je nooit op foto vastleggen maar ik denk dat de foto's toch wel een beetje vertellen hoe mooi het hier is.
We rijden van lake naar lake (het leuke is dat de afstanden hier zo klein zijn, we rijden per dag amper 140km) en kamperen in een campground van Department of conservation. Je betaalt 6$ per persoon (3euro) via een zelfregistratie systeem. De campgrounds zijn absoluut niet zo verzorgd als in Australia (wat blinken ze daar toch echt in uit!) en terug vergelijk ik het met canada. Ze zijn klein, vaak liggen ze naast de highway waardoor ze zeer makkelijk bereikbaar zijn maar gelukkig is het verkeer niet zo druk. Het enige verkeer op highway 6 zijn campers. Je kunt echt niet geloven hoeveel huurcampers er hier rondrijden.
We hebben al enkele mooie en enkele heel lastige wandelingen gemaakt (of zoals ze het hier zeggen: tramping). De mooiste maar ook de lastigste was een 5h wandeling naar een uitkijk halfweg de Franz Josef glacier. Na meer dan twee uur klimmen op handen en voeten, waarbij het pad door lanslides verschillende keren was weggespoeld en de trappen soms een halve meter hoog, en liters zweet bereik je eindelijk een uitzicht op de gletsjer. De meesten nemen een helicoptervlucht en dat moet onwaarschijnlijk mooi zijn, maar wanneer je na twee uur zwoegen en zweten eindelijk de glacier ziet dan is het genot zo onwaarschijnlijk. Ik was echt de uitputting nabij en de laatste meters klimmen werden vergezeld met een gezucht en gekreun en dan plots sta je daar boven op een uitkijkpunt en zie je onder je (al moest ik wel klimmen op de picknicktafel) fenomenaal. De klim naar beneden was misschien nog wel lastiger: mijn knieën deden op een bepaald moment zoveel pijn en zonder Nico zijn hulp op bepaalde momenten was het huilen waarschijnlijk naderbij dan het lachen. Het heeft natuurlijk ook veel te maken met mijn angst bij het afdalen, ik verlies waarschijnlijk tonnen energie omdat ik verkrampt afdaal. Op een bepaald moment hadden ze langs een klif een houten trap aangelegd. Je daalt dus zwevend boven de klif af en ziet onder je een afgrond van een paar honderd meter. Ik heb bijna mijn lip doorgebeten alleen al om die stomme trap naar beneden te wandelen. En dat is puur psychologisch want met je verstand weet je dat je volstrekt veilig bent. Ze zijn hier trouwens zot van swingbridge (hangbruggen). Als je er alleen oploopt, stap je mee met de kadans van de brug maar als je met verschillende op zo'n brug wandelt weet je meteen waarom ze het een swingbridge noemen: de brug swingt van links naar rechts en je loopt erover alsof je een dronkaard bent en dan zie een wilde rivier onder je heen stromen en hoop je dat de brug goed geconstrueerd is wat ze natuurlijk steeds is.
De glaciers zijn zo indrukwekkend hier omdat ze bijna in de zee uitkomen. Je staat op het strand en je kijkt naar de besneeuwde toppen: surreëel.
Nico is zonet terug van een wandeling. Hij is naar de top van de heuvel achter de campground gewandeld, 1,5 km steil bergop zonder stoppen (ja dat kan hij omdat hij mij niet hoeft mee te trekken). De foto's van wat hij bovenop de berg ziet zijn gewoonweg prachtig. Nadien gaan we zwemmen in het ijskoude meer (348m diep!) en nadien wrijven we ons in met amendelolie met veel citronella (voor de blackflies en mozzies uiteraard)
Morgen rijden we naar Queenstown, waar iedereen zeer enthousiast over is. Waar we na 4 dagen eindelijk terug een grootwarenhuis zullen vinden. Best want we zitten doorheen onze voorraad.

Maandag 1 februari





Vrijdag 29 januari
We zijn ondertussen 5 dagen in NZ dus tijd om eventjes stil te staan bij onze eerste ervaringen. Op onze laatste dag in Sydney zijn we met de ferry naar Watson's bay geweest. Een ongelooflijke drukte, we begrijpen er niet veel van. Een tweede ferry wordt ingelegd want teveel volk. Terwijl de ferry aanmeert begrijpen waarom zoveel volk de ferry neemt. Een restaurant aan de aanlegsteiger bulkt van het volk. Ik weet niet hoeveel couverts dit restaurant heeft maar het zullen zeker meer dan 200 zijn. Overal tafeltjes en overal stamvol. Het blijkt het gekendste visrestaurant van sydney te zijn. Wij wandelen naar South Head – maar ik ben ontzettend moe en we nemen vlug de ferry terug. Ondertussen weet ik wat met mij aan de hand is: een beestje in mijn lijf. Reeds een week loop ik als een halve rond (hoofdpijn, buikloop, spierpijn) maar ik denk dat ik eindelijk terug de oude aan het worden ben, al heeft de dafalgan daar misschien meer mee te maken dan ik zelf durf toegeven.
Maar nu zijn we dus in NZ. Maree en haar dochter Bethany (Bee) staan ons op te wachten. Meteen valt ons de vriendelijkheid op vn beide, al is dochterlief in haar pubertijd en je weet wat dit betekent, nietwaar. We rijden via een zeer bochtige weg over de heuvel Rimutaka (het leek wat mij betreft eerder op een berg, maar ja na Australia weten we waarschijnlijk niet meer wat bergen zijn) en ondertussen vertelt Maree dat dit hun meest natte zomer in eeuwen is geweest. Alles ziet er nog groen uit en dat is niet normaal. De ganse maand december en januari heeft het geregend (en ja het ziet er echt grijs uit) en nu is de zomervakantie voorbij (Maree is een leerkracht en vandaag is haar laatste vakantiedag) en hebben ze bijna geen mooi weer gehad. Het stadje Martinborough (op 80km van Wellington en gekend voor zijn wijn) waar ze wonen is een charmant dorpje en zelf wonen ze op een boerderij. David komt ons onmiddellijk tegemoet vanuit zijn shed. Hij herstelt Daimler oldtimers en heeft er zowat 20 in zijn shed staan. De camper staat voor de deur en is zeer groot en brandnew: hij ruikt nog nieuw en heeft 6600 km op de teller staan. 's Avonds hebben we een BBQ – het is bevreemdend om binnen te zitten met een trui aan. Maar de volgende dag schijnt de zon en genieten we van een uitstapje met david en maree naar de Cape palliser lighthouse waar ook een zeehonden kolonie zit. De omgeving is ruig en indrukwekkend. We rijden naar een lokaal restaurant maar de grote electriciteitspanne doet ons verhuizen, we rijden maar eventjes 28 km verder naar Featherstone naar het volgende restaurantje dat nog net open is ... na een heerlijke pizza komen we thuis en blijkt dat een heftig onweer behoorlijk heeft huisgehouden in Martingsborough. 's Nachts moet ik plots naar toilet, het is 2u en werkelijk pikdonker. Ik zie geen steek voor mijn ogen en op handen en voeten kruip ik uit het bed en al tastend zoek ik mijn weg naar de bagage in de hoop een lichtje te vinden die mij de weg naar het toilet toont. Na veel tasten vind ik een lichtje, wat een verademing ik zie de kamer. Ik loop naar de deur en sta als een zot te kijken naar de deur want ik zie geen deurklink. Ik duw aan de deur maar ze is dicht en beweegt voor geen milimeter. Lap hoe geraak ik hier naar buiten, ik kan toch moeilijk midden in de nacht roepen zodat iemand de deur langs buiten kan openduwen. Met mijn nagels (die ik bijna niet heb) probeer ik grip te krijgen op de deur en probeer ze zo open te krijgen. Mijn blaas is ondertussen mijn heksentoeren meer dan beu en wil echt wel geleegd worden. Net op het moment dat ik denk nu zal ik wel moeten roepen en iedereen in het huis wakker makken, heb ik de deur vast en kan ze opentrekken: sluit nooit een deur in NZ is mijn eerste les!
Op woensdag beslissen we om te vertrekken, Maree is volop bezig met haar school en ook David lijkt een hele hoop werk te hebben. Hij probeert nog een fietsrek te monteren op de camper en moet een dieselvergunning kopen. Je moet hier per gereden dieselkm tax betalen. Iedere dieselwagen heeft dus een teller op de wielen zitten en je koopt dus 4000km heb je deze opgereden moet je nieuwe km kopen. Bizar en volgens zeer omslachtig systeem. Absurde is dat een wagen die 20 liter diesel per 100km verbruikt evenveel tax betaalt dan een zuinige dieselwagen die slechts 8liter/100km verbruikt.
Alles is gevuld, de zon schijnt, de ferry is geboekt en hop weg zijn we. We beginnen aan de beklimming van de Rimutaka wanneer we plots een geluid horen die niet echt goed klinkt, we stoppen en wat blijkt het nieuwe fietsrek is volledig omgebogen en de fietsen slepen over de grond. We demonteren alles, zetten de fietsen in de camper. De weg over de Rimutaka is zo smal dat draaien absoluut niet kan, er zit niets anders op dan heel de Rimutaka te beklimmen en af te dalen, te keren en weer de berg (allez volgens de locals een hill) over te gaan. David is uiteraard verrast om ons terug zien en tevens ontgoocheld dat het fietsrek zo waardeloos blijkt te zijn. Na een half uurtje zijn we weer op weg en gaan we tot Nico's grote ergernis weer via het smalle bochtige baantje de Rimutaka over, de enige weg om in Wellington te geraken. We zoeken ons weg naar de Motor inn, en gezien we geen GPS hebben rijden we uiteraard verkeerd. Nico is gestresseerd en pissig omdat hij midden in een file in Wellington city zit en niet weet waar we naar toe moeten rijden. Dus doen we wat we in pre-gps systeem deden: parkeren en aan een local de weg vragen. En ongelooflijk maar waar meteen zitten we goed en vinden we het camperpark: weg is de stress.
De volgende dag nemen we om 10h de ferry. De kade staat vol met gehuurde campers (dit is hier booming business) van Appollo, Britz, Kea. Het inchecken verloopt vlot en meteen gaan we naar deck om alles te zien. Het is grijs maar de zichten zijn mooi. Wanneer we de sounds van picton binnenvaren lijkt het alsof je de fjiords ziet, bijzonder mooi. De zon schijnt en het is lekker warm.
Terwijl we rijden heb ik steeds meer het gevoel van Canada: de vele pijnboom bossen, de blauwe meren, de indrukwekkend bergen. Maar ook het licht doet mij meer aan Canada denken dan Australia. Australia heeft een geel licht terwijl NZ net zoals Canada wit daglicht heeft. Het is ook bijzonder straf het licht. In Australia kan ik gemakkelijk zonder zonnebril rondlopen, hier niet het licht is veel te wit en fel.
Er lopen hier ook geen vreemde dieren rond en ook dit voelt zeer europees aan, veel meer dan Australia. En bovenal in de winkels vind je veel meer europese producten dan in Australia.

wet zadoensdag 27 januari






We zijn in Nieuw Zeeland. Wat een verschil met Australia, het is bijna niet te geloven dat een land zo dichtbij en net zoals Australia een zeer sterke band heeft met mother England zo van elkaar kunnen verschillen. Allereerst is er natuurlijk de temperatuur: 19 graden en dat is wennen naar 5 maanden een gemiddelde van 30 graden. De kiwis klagen want hun zomervakantie is ten einde en nog nooit is hun zomer zo nat geweest. Maar wij hebben geluk want de zon is beginnen schijnen ;-)

Toen we aankwamen in de luchthaven moesten we net zoals in Australia alle voedsel aangeven of weggooien maar deze keer ook aangeven of wandelschoenen meehadden (uiteraard we hadden ze aan dus geen discussie daarover) en onze tent. ondertussen geleerd om braaf alles aan te geven. We komen bij de controle en daar krijgen we te horen dat we onze schoenen moeten uitdoen want dat ze zullen gewassen worden en we moeten te tent uithalen om alles zand eraf te doen. Het was werkelijk hilarisch want het zand werd gewoon op de grond gegooid. Wat een verschil met Australia

De omgeving is vrij ruig met uiteraard duizend schapen. Geen bushflies, geen gevaarlijke slangen en geen dodelijke spinnen.
En de namen van de dorpje en stadjes daar beginnen we zelfs niet aan.

Gisteren met Maree en David een tochtje gedaan naar de seal colony. Een paar foto's alvast om het verschil te tonen.

Morgen nemen we de ferry naar het zuidereiland.

Zaterdag 23 januari







Wij zijn ondertussen weer twee weken verder en terug on the road. We hebben Maroochydore verlaten, nadat we een ontbijtpannenkoekenslag hebben meegemaakt. Na hun ochtend surfski training (om 6h 's morgens!) bereiden Peter en Alan om 7h30 een grote hoeveelheid pannekoeken. Alle vrienden komen toe en een megagroot pannenkoekenfestijn kan beginnen. Peter leert ons om suiker en citroen leeg te persen op een pannenkoek (heerlijk) terwijl alan ons overtuigd om het te proberen met yoghurt, perziken en honing. We nemen afscheid van iedereen en om 11u halen we ons autootje op en vertrekken we richting Brisbane, om 12 dagen te kamperen in een tentje. Om het toch een beetje comfortabel te houden hebben we een hele uitzet gekocht. (echter een nacht in een motel slapen is duurder dan onze volledige aankoop en ja we kopen nog een campingstoel – nog maar onze vijfde). De eerste halte in Brisbane, de camping ligt 4 km buiten Brisbane maar met de auto is dat niet erg natuurlijk. We willen graag de finale tussen Kim en Justine zien, de enige tickets die nog overblijven hebben een slecht zicht en kosten 100 dollar. Dus gaan we maar op een groot scherm kijken. Iedereen stroomt toe op het grote grasplein, picknickdekens worden uitgerold, hapjes worden er op gezet anderen zetten zich aan de BBQ en combineren BBQ met kijken naar de tennis. Althans dat is wat iedereen denkt. Om 19h start een UK serie (begint de tennis niet om 19h?), om 19h30 nog een serie (misschien hebben ze vertraging opgelopen?) om 20h nog een serie (ja lap ze hebben ons hier goed liggen!) Iedereen begint langzamerhand af te druipen – geen tennis. En daarom zijn wij naar Brisbane gekomen. We keren ontgoocheld terug de camping en zenden sms naar Irene. Zij zendt ons prompt eentje terug: ze zenden het pas in uitgesteld relais uit om 21h30. Het is 21h15: hop auto terug in en weer naar Brisbane. Ondertussen is het picknick veldje bijna leeg, en jawel dan start de wedstrijd: wat een spanning en een supergroot scherm bijna exclusief voor ons!
De volgende dag rijden we naar Flanagan Reserve, aan de south rim (bergketen tussen Queensland en NSW). We hebben in deze regio al een en ander gedaan (Springbrook, Lamington, the Gorge) en vonden dit een mooie regio dus terug maar nu naar een andere plaats, aan de voet van mount Barney. Een groots bos waarin we mogen kamperen, met douches en een heerlijke rivier met natuurlijke spa's. De temperatuur loopt op tot 33 graden, dus de rivier is gewoon heerlijk.
De volgende dag laten we ons leiden door de GPS die ons via een dirt road steeds verder weg leidt – net op het moment dat ik tegen Nico zeg: dit lijkt mij echt wel niet juist te zijn komen we aan een gesloten poort van het NP terwijl onze GPS maar blijft zeggen: rechtdoor! Dus kaart uithalen en de old fashion way de weg vinden op de kaart. Onze tank is nog voor één vierde vol, volgens de wegwijzers nog 45km te gaan: no worries. We volgen de pijlen en onze GPS, plots wordt de weg weeral eens een dirt road, corrugated, wash outs, potholes: why don't the australians finish their roads roepen we tegen elkaar. De benzinetank begint meer en meer naar het rode vakje te gaan, we vinden de afslag naar de benzinestation maar niet en betrouwen de GPS al helemaal niet meer wanneer ze ons weer al eens een dirt road wil laten inslaan. We volgen dus maar de kaart ipv de GPS, plots berekent de GPS de weg opnieuw en doet ze er nog eens 40km bij ipv 10km die wij in gedachten hebben. Lap ik zie het al gebeuren, in the middle of nowhere zonder benzine met het dichtsbijzijnde stadje voor ons op 100km en achter ons 70km tenzij we de afslag vinden ... en daar is ze gelukkig, de wegwijzer geeft ons gelijk nog 10km te gaan terwijl onze GPS volhoudt dat het nog 60 km is. Begrijpe wie begrijpe kan.
We picknicken aan de rivier en bakken op de gratis gasBBQ een hamburger en broodjes. We kunnen inloggen op internet en boeken onze volgende camping in Girraween NP. Het park is gekend voor zijn granieten boulders. De camping is een van de mooiste die we gezien hebben. Voor 5$ (3euro) per persoon heb je een mooie grote verzorgde plaats met je eigen picknick tafel, BBQ, daarenboven zijn er flush toilets, warme douches, zwemgelegenheid en enkele prachtige wandelingen. De wandelingen zijn behoorlijk zwaar omdat je de grote granieten rotsblokken steil naar boven moet beklimmen. Ik laat Nico tot aan de top klimmen, ik blijf halfweg want naar boven is geen probleem maar naar beneden is quite scary!
Ondertussen lopen de temperaturen op: 38 graden in de schaduw! Op onze laatste avond in dit park breekt een warmteonweder uit van jewelste: 4h donder bliksem en 2h regen, regen en nog eens regen. En ons tentje houdt het wonderwel uit zowel de regen als de hevige rukwinden.
We rijden door naar Apsley Falls, daar toegekomen begint het terug te regenen. Met een zeil aan de auto proberen we een shelter te maken. Na 2h stopt het en kunnen we rond ons vuurtje zitten en eten. De volgende dag bekijken we de falls: de regen van de afgelopen weken heeft de falls omgedoopt tot een wilde grootse waterval: indrukwekkend zonder meer. Het wandelpad is echter afgesloten, logisch want het wilde water heeft op 29 december (dus twee weken geleden) gewoon de brug en zijn betonnen fundamenten weggesleurd.
Via een meer (waar we 's avonds BBQ met fenomenaal zicht op het meer en de bergjes errond) en een rivier (waar we toevallig beland zijn omdat onze GPS ons weeral eens via dirt roads heeft verloren laten rijden) komen we in de world heritage blue mountains.
De eerste uitkijk waar we aan stoppen vertelt ons meteen waarom dit worls heritage is. Aussies zeggen “awesome” maw indrukwekkend. Een diepe kloof spant zich voor ons uit, en wij staan op de klif in de diepte maar ook in de verte te kijken. De grand Canyon is zondermeer indrukwekkend maar dit moet er niet voor onder doen. In Blackheath maken we een wandeling langs de loodrechte klif naar beneden tot aan de voet van de Bridal Falls – best dat ik op voorhand niet gezien heb aan welk paadje we ons moesten wagen om hier te geraken. Wel duizend trappen naar beneden. Vele trappen uitgehouwen in de rots, afgesleten, nat, glibberig, soms vervangen door een ijzeren trap maar waardoor je heen kunt kijken waardoor je de afgrond van enkele honderden meters gewoon onder je voeten ziet (beangstigend zonder meer). Duizend trappen naar beneden wil ook zeggen duizend terug naar boven. In temperaturen van 30 graden wil dit zeggen dat het zweet van je loopt. Eenmaal boven zijn we vlug gerecupereerd en doen we een tweede wandeling naar Evans Head. Slechts 6 km , langs de klif maar je volgt de natuurlijk golving dus jawel 6 km trappen op en af. 's Avonds zijn we doodop en gaan we naar een camping, eten we indisch, bellen we het thuisfront op en voelen we voor de eerste keer een koude nacht. De volgende dag rijden we naar Katoomba, waar de wereldbefaamde three sisters rotsen te bekijken zijn. Terug wagen we ons aan een wandeling, terug 5 km trappen op en af en plots komen we aan de giant staircase: slechts 900 trappen. Iedereen doet deze natuurlijk naar beneden, maar niet wij, naar boven! Onderaan de trap staat dat je minsten 45 min moet rekenen om naar boven te gaan, in 15 minuten staan we boven, te puffen en te blazen uiteraard. Maar wanneer 400meter verder aan de visitor centre komen zijn we al weer gerecupereerd. We rijden terug naar Kanungra Walls waar we kamperen. Het is slechts 13 graden om 15h – dit belooft voor de nacht. Het is een grote mooie campground met veel wildlife. Maar we zijn de enigen, geen aussie die zo zot is om in vriestemeraturen (toch in hun beleving) te komen kamperen. Om 17h steken ons vuurtje aan en laten we ons verwarmen door het kampvuur. We hebben alle BBQ leegeroofd van hout zodat we zeker voor 4h vuur hebben. 'S nacht dicht bij elkaar en dan valt de koude heus wel mee. 'S morgens om 8h (de zon is al 2h op) is het nog maar 8graden!
De volgende dag is het terug veel beter weer, en de kampeerders komen dan ook in grote getale toe, wij vertrekken naar Parramata, voorstad van Sydney. Dat het weer beter is, merken we meteen aan de thermometer in onze auto: 38graden in de schaduw.
Ondertussen zijn we terug in Sydney en overnachten we in een bijzonder aangename lodge, op amper 15 minuutjes van Sydney, in een rustige straat. Onze kamer heeft een badkamer en kichenette maar behalve voor ontbijt zullen we deze niet gebruiken want er zijn hier in Randwaick zoveel restaurantjes waar je kunt eten voor 8$ (5euro) dat je zeker niet wil koken (vooral gezien het hier een hittegolf is met temperaturen van 39 graden). Uit eten in Australia is trouwens bijzonder economisch. Je zoekt een restaurantje waar BYO staat. Dat wil zeggen dat je je eigen drank moogt meebrengen. Meestal is ernaast een liquorstore. Je koopt zelf je fles wijn en brengt deze mee naar het restaurant. Zij geven jou ijs, glazen en rekenen een forfait van 1 euro per persoon.